Petit Paysan

Voor Pierre, de kleine Franse boer uit Petit Paysan, is zijn traditionele boerderij zijn alles. Hij kijkt tevreden toe als zijn koeien heerlijk loom herkauwend in de wei liggen te liggen. Zijn koeien zijn zijn raison d'être, om maar even in stijl te blijven. Dat blijkt al meteen uit de fenomenale openingsscène waarin hij wakker wordt, koffie wil zetten maar zich letterlijk in de woonkamer moeizaam door een complete kudde koeien moet wurmen om bij het koffieapparaat te komen. Het blijkt een droom, maar toch, het zegt alles over Pierre. Hij leeft tussen, met en voor zijn koeien.

Hij staat er trouwens wel zo'n beetje alleen voor, nadat hij de boerderij van zijn ouders heeft overgenomen. Voor de liefde en voor zijn vrienden heeft hij nauwelijks tijd. En dan slaat ineens het noodlot toe. Pierre ontdekt dat één van zijn beesten alle symptomen vertoont van (de filmvariant van) de zo gevreesde gekkekoeienziekte. Als Topaze — zijn koeien hebben nog een naam —  niet meer overeind komt en Pierre liefdevol over haar rug strijkt en zijn hand onder het bloed blijkt te zitten, ja dan slaat de blinde paniek toe. Hij ziet in gedachten de mannen in witte pakken al het erf oprijden en dat wil hij koste wat kost voorkomen. Hij wil zijn levenswerk niet verloren laten gaan en hij besluit te handelen. Al snel raakt Pierre verstrikt in zijn eigen leugens en gaat hij gestaag de onvermijdelijke ondergang tegemoet.

Regisseur Hubert Charuel, die de film draaide op de Noord-Franse boerderij van zijn eigen ouders, presenteert met Petit Paysan een prachtige, ontroerende film. Hoewel je als toeschouwer de acties van Pierre wel móet veroordelen — hij brengt immers de hele omgeving in gevaar — voel je toch ook enorm veel sympathie en mededogen voor de wanhopige jonge boer. Probeer maar eens onbewogen toe te kijken als je ziet hoe teder hij een voor de ruimingsdienst verstopt kalf aait en voert en toespreekt, op de bank in de woonkamer.